maandag 24 augustus 2015

HET OEROUDE GEHEIM VAN ST.MICHAEL

Ongeveer twintig jaar geleden, toen ik in het museum van Arnhem werkte, werd ik gebeld door een plaatselijke notaris die graag met me over een bijzondere kwestie wilde spreken. Tijdens ons gesprek bleek dat er in een oud pand aan de Rijnkade een enorme collectie archeologische en historische objecten was aangetroffen. In de eerste decennia van de vorige eeuw had de toenmalige eigenaar een grote verzameling oudheden aangelegd met de bedoeling om er een museum te stichten. In 1930 was hij onverwachts overleden en werden de deuren van zijn beoogde oudheidkamer door zijn twee dochters min of meer verzegeld en sindsdien had niemand de collectie meer gezien. Toen de notaris mij belde was de laatst nog levende dochter juist overleden. De notaris had jaren eerder een brief van haar ontvangen met de opdracht om de collectie veilig te stellen en er was tegelijkertijd een bedrag overgemaakt voor de kosten hiervan. Wat dit behelsde realiseerde ik me pas toen wij na ons gesprek het 19e eeuwse huis betraden. In de hele benedenverdieping was de verzameling uitgestald in kasten en antieke vitrines en daartussen door en langs de wanden bevonden zich nog vele honderden objecten van allerlei waarop het stof van zeven decennia was neergedaald. Het was een heel bijzondere belevenis: er waren Egyptische-, Griekse- en Romeinse voorwerpen, Friese terpvondsten, aardewerk en steengoed uit de Middeleeuwen en latere perioden, oude manuscripten, stenen beelden, tekeningen, prenten en schilderijen. Kortom te veel om op te noemen. Het kostte een maand om alle objecten ruwweg te inventariseren en over te brengen naar ons eigen museum en andere relevante musea. Er moest ontzettend veel worden beschreven en gefotografeerd en al die weken verdween het stof nauwelijks uit de kamers. Na afloop bleef er één object over waarmee we op dat moment geen raad wisten: een miniscuul houten kistje van hoogstwaarschijnlijk middeleeuwse ouderdom. Het was met geen mogelijkheid te openen. De notaris stelde voor dat ik het onder mijn hoede zou nemen en er de tijd voor zou nemen om uit te zoeken wat het was. Ik maakte er een gedetailleerde beschrijving van en een aantal foto's. Een collega die vertrouwd was met middeleeuwse kunst suggereerde dat het misschien iets te maken had met St.Michael, de heilige waarvoor al vrij vroeg kerken werden gebouwd op plekken waar het heidendom nog lang hardnekkig werd beleden. Twee dagen later vertrok ik voor een vakantie naar Cornwall waar ik op verschilende plaatsen geconfronteerd zou worden met deze beschermheilige. Er was niet alleen de bekende St.Michael's Mount maar ook Brent Tor bij Dartmoor waar St.Michael nog vereerd werd. Ik kende het gebied door eerdere reizen al vrij goed, vooral vanwege de vele bijzondere megalithische monumenten, heilige bronnen en een groot aantal vervallen tinfabriekjes. Vooral het meest zuidwestelijke deel van Cornwall is heel bijzonder. Her en der liggen plukken hei in het landschap en overal stuit je op oeroude stenen. De oceaan is vrijwel overal te zien en het lijkt bijna of je op een magisch eiland bent beland. Ook in het noordelijker gelegen Dartmoor wemelt het van de voormalige prehistorische sacrale plekken. Tijdens mijn bezoek aan het museum van Truro, waar de belangrijkste archeologische vondsten van Cornwall zijn uitgestald ontmoette ik mijn oud-collega Andrew Stone en vroeg hem of er soms een systeem viel te ontdekken in dit soort geclusterde oudheidkundige landschappen. Hij vertelde me een verhaal over Alfred Watkins die in de eerste decennia van de vorige eeuw tijdens zijn reizen door Cornwall, zowel als bierbrouwer die zijn product aan de man moest brengen als een fervent fotograaf, opvallende verbindingslijnen ontdekte. Als hij zijn camera instelde werden er vaak, voordat hij afdrukte, lang gerekte sporen in het landschap op zijn netvlies zichtbaar die later weer oplosten in het niets. Na verloop van tijd zag hij overal lijnen die sacrale plekken uit het verleden met elkaar verbonden. Hij beleefde zijn waarnemingen als dubbele over elkaar gelegen gebieden waarvan de bovenste weergaven wat hij logischer wijs moest zien, terwijl zich daaronder een netwerk van oeroude verbindingswegen lag verborgen. Aanvankelijk werd hij met veel scepcis bejegend maar gaandeweg kreeg hij meer bijval, ook van wetenschappelijke zijde. Zijn belangrijkste vondst was de lijn van St. Michael, die allerlei plekken die naar deze schutspatroon waren genoemd met elkaar verbond. Andrew merkte op dat St.Michael overal werd geïntroduceerd waar het heidendom het sterkst was. Ik kon daar aan toevoegen dat ik tijdens een eerder onderzoek had ontdekt dat vrijwel alle St.Michaelskerken op het continent NO-ZO georiënteerd waren. We zouden al snel zien dat dit ook gold voor de heiligdommen van St.Michael in Engeland. Onze conclusie was dat dit te maken had met de oriëntatie van veel prehistorische steenkringen zoals Stonehenge. De lijn van St.Michael verbond geen oude christelijke plekken maar nog veel oudere heidense plekken zoals Glastonbury en Avebury. Diezelfde avond werd ik gebeld door een collega uit Nederland aan wie ik het kistje had overhandigd met het verzoek om een specialist van antieke sleutels en sloten op te sporen die het geheimzinnige object kon openen. Ze had iemand gevonden in Gorinchem die het slot had weten te kraken. In het kistje bevond zich een vlijmscherp vuurstenen mes en een moeilijk leesbare latijnse tekst in donkerrode letters.

donderdag 20 augustus 2015

MYKENE EN DE TROJAANSE OORLOG

Omstreeks 800 voor Christus schreef Homerus over de Trojaanse oorlog die toen al vijf eeuwen eerder had plaats gevonden en nog slechts in mythen voort leefde. Hij verhaalde over koning Agamemnon die met zijn troepen zijn burcht via de 'leeuwenpoort' verliet om Troje te straffen voor de ontvoering van koningin Helena van Sparta. Met hem trokken andere Griekse vorsten met hun troepen ten strijde. Er volgde een tienjarig beleg van Troje. Uiteindelijk wonnen de Grieken en Agamemnon keerde zegevierend terug naar Mykene. Daar wachtte hem zijn echtgenote Klytaimnestra en haar minnaar die Agamemnon om het leven brachten. In de 19e eeuw groef de schatrijke bankier en 'selfmade' archeoloog Heinrich Schliemann, na uitgebreide opgravingen in Troje, later ook in de graven van Mykene die zich onmiddellijk na het betreden van de Leeuwenpoort aan de rechter zijde van de toegangsweg bevonden. Hij legde er enorme kostbaarheden bloot waaronder het gouden gezichtsmasker van Agamemnon. De vondsten bleken later van veel oudere datum te zijn. Schliemann had echter hoe dan ook de mythologie van het oudste Griekenland weer laten herleven.

zaterdag 25 juli 2015

HEKSEN

In de tweede helft van de middag sloeg het weer om. Duistere wolken kropen in het zuiden boven de horizon omhoog en namen al snel apocalyptische vormen aan. Donderkoppen rezen dreigend naar boven en toen het zonlicht er achter verdween werd het grote water van de Zuiderzee onheilspellend donker. De wind viel weg en de meeuwen langs de zeewering van Schokland zwegen die dag voor het eerst. Het eiland had in de loop der eeuwen al talloze stormen ervaren. Grote stukken land waren onder de golven verdwenen en vele bewoners en vissers waren verdronken. Nu ook zou het water weldra weer komen aanstormen, verlicht door de bliksemschichten die de hemel doorkliefden. Op de zuidpunt van het eiland stond Aleyda, een oude vrouw van het vasteland, naar de naderende storm te kijken. Op de terp van Ens waren de bewoners in de weer om de schade door wind en water te beperken. Aleyda was de enige die zich in het open veld bij de vervallen kerk op de zuidpunt waagde. In de luwte van enige bomen had ze een vuur aangestoken waarop de inhoud van een grote ketel stond te pruttelen en dampen. Aleyda gooide er voortdurend handen vol kruiden in en prevelde ondertussen onverstaanbare woorden. Verbeten keek ze naar de zee waarvan de aanrollende golven steeds hoger werden. De vorige keer dat ze hier een storm zag naderen hadden haar pogingen om het ontij te keren niets uitgericht. Al haar kruiden waren doelloos in rook opgegaan en zij had drijfnat naar het hoger gelegen Ens moeten vluchten. Nu echter had ze iets voor de elementen in petto want Aleyda was niet zo maar een simpel kruidenvrouwtje dat wat vage bezweringen verrichtte, maar ze was ook uitgerust met een grote magische kennis die al generaties lang van moeder op dochter was overgeleverd. het gewone volk en de dienaren van de kerk noemden haar en toveres en gedoogden haar omdat ze veel mensen had genezen en kraamvrouwen had geholpen bij bevallingen. Een oude vriend had haar onlangs voorzien van een vaatje explosieve materie dat hij uit het Heilige Land had meegenomen. 'Grieks vuur' noemde hij het. Een deel ervan had ze meegenomen naar Schokland waar ze het in alle stilte en eenzaamheid uit kon proberen. Er was immers in de verste verte geen levende ziel te bekennen. Het noodweer kwam over en met de golven aanrollen en Aleyda maakte voor het eerst gebruik van bezweringsformules op een manuscript dat dezelfde vriend had meegenomen van het St.Catharina-klooster in de Sinaï-woestijn. Zij strekte haar handen naar de hemel uit, sprak oeroude woorden en smeet het Griekse vuur in de ketel. Het was alsof er een kleine vulkaan ontplofte. Een vuurzuil steeg op naar de hemel waar de dreigende wolken uiteen weken en verschrompelden. De bewoners van Ens die angstig vanuit de verte het helse vuur hadden zien opstijgen gingen de volgende dag kijken naar wat er in hemelsnaam gebeurd was. Ze vonden slechts brokstukken van een stalen ketel. Aleyda was spoorloos verdwenen. Dezelfde avond liep de kasteelheer van Bentheim, ruim honderd kilometer oosteljker, stampvoetend door zijn ridderzaal. Zijn echtgenote kon elk moment bevallen. 'Waar is die toveres die haar zou helpen', schreeuwde hij tegen iedereen in zijn hofhouding. Een warme bries voer door het kasteel. Ik ben nooit te laat, heer',sprak Aleyda die plotseling voor hem stond. Aleyda had de kasteelheer vriendelijk doch dringend verzocht om naar zijn eigen vertrekken in het kasteel te gaan. Zijn verbale geweld zou niets bijdragen aan het welzijn van zijn echtgenote. Ondertussen maakte ze de kraamkamer gereed, verzamelde haar kruiden en liet een ketel water koken. Een uur later was het kind reeds geboren en het was een makkelijke bevalling geweest. De vader was enthousiast de kraamkamer binnengelopen nadat hij Aleyda uitvoerig had bedankt. Ze zat nu met een beker wijn voor de haard in de kamer die haar was toegewezen en dacht aan haar zusters die, niet ver weg, op de eenzame heidevelden en bij de oude moerassen woonden. Ze moest hen weer spreken. Er waren teveel stormen en overstromingen vanuit zee en de langs de rivieren geweest. De winters werden kouder en langer en de zomers deden steeds meer aan de herfst denken. Nog niet zo lang geleden was ze over een woest golvende Zuiderzee naar Amsterdam gevaren en daar had ze bij toeval de schilder Hendrick Avercamp ontmoet die haar verteld had dat het al heel lang kouder werd. Ze had gekeken naar zijn schilderijen vol met schaatsers, sleden en vooral sneeuw en ijs. "Het was een kwalijke tijd', vertelde Avercamp.'De afgelopen tientallen jaren hadden ze overal toveressen beschuldigd van duivelse praktijken en vervolgens verbrand. De kerkelijke gezagsdragers en burgerlijke rechters hadden vele onschuldige mensen veroordeeld en de dood ingejaagd en sindsdien waren de kou en nattigheid al jaren lang over de lage landen neergedaald. Aleyda wist er alles van en werd er regelmatig mee geconfronteerd maar nu was ze even in het oosten van het land waar haar zusters uit het grijze verleden in het najaar vaak bij elkaar kwamen. Dit keer was ze in een huifkar over hobbelige zandwegen naar het oosten van Gelderland gereisd en neergestreken in de Lebbenbrugge, een herberg langs een oude hessenweg. Ze hoorde er volgedronken boeren sterke verhalen vertellen over witte vrouwen die op de Lochemse Berg woonden. Aleyda hield zich een beetje op de achtergrond maar zag plotseling vanuit het niets een mooie vrouw met zilvergrijs haar en een gewaad van min of meer dezelfde kleur opdoemen in de berookte en rumoerige herberg. Iedereen viel stil toen ze naar de door drank overmoedig geworden boeren liep. Wat ze deed kon Aleyda niet zien maar terwijl ze vreemde woorden uitsprak werd het ijzig koud in de herberg. De boeren wisten niet hoe snel ze de herberg moesten verlaten en toen de in het grijs gehulde vrouw hen nawees leek het alsof er een blauw vuur vanuit haar hand kwam dat de boeren achtervolgde. Even later was de vrouw spoorloos verdwenen maar Aleyda wist instinctief dat ze haar in haar slaapvertrek zou ontmoeten. Toen Aleyda haar kamer binnen kwam zat de plotseling verdwenen vrouw al aan het kleine tafeltje met een kruik bier en twee houten bekers.'Ik vermoedde al dat je hier zou zijn', zei Aleyda. 'We moeten immers praten zoals ik je al heb laten weten.' 'Maar eerst drinken we op ons weerzien ', sprak Mechteld. Ze dronken hun bekerss leeg en begonnen een lang gesprek. Mechteld en haar mede-witte vrouwen werden niet zoals de toveressen vervolgd maar ze waren evenals Aleyda bezorgd over de oorlog en rampspoed die oude tradities verpulverden en veel slachtoffers eisden. Ze smeedden een plan om een eind te maken aan de heksenjacht. Sindsdien werden rechters en beulen in de middernachtelijke uren bezocht door geheimzinnige witte en zwarte vrouwen die de gevreesde mannen de stuipen op het lijf joegen waardoor ze de volgende dag onherkenbaar op hun omgeving over kwamen en ze de uitputting nabijleken. Al spoedig werd er gefluisterd over hun merkwaardige lot, maar men dorst er nauwelijks over te spreken. Kennelijk waren er onzichtbare krachten aan het werk en velen die een rol in de heksenprocessen hadden gespeeld voelden zich niet meer veilig. Tot overmaat van ramp doken er geleerde heren op die boeken schreven over de onzin van heksenvervolgingen en het duivelspact. De vervolgers van weleer kropen in hun schulp en lieten zich niet meer horen. Wanneer zij door de nauwe straten en stegen van de steden schuifelden hoorden zij gegniffel en gegrinnik om zich heen. Van heersers over leven en dood waren zij werkloze burgers geworden die hun duren huizen hadden moeten verlaten. Het was nota bene een predikant uit Coevorden die op zoek ging naar de nazaten van de slachtoffers van weleer. Vanuit zijn veilige woonstede trok hij naar de desolate heidevelden en moerassen in zijn omgeving om te spreken met de keuterboertjes die elkaar al eeuwen lang verhalen doorvertelden over heksen en witte wieven die de weg wisten te vinden naar een geheimzinnige Andere Wereld. De witte wieven woonden in oeroude grafheuvels die soms door argeloze voorbijgangers betreden werden en dan in bijzondere wereld terecht kwamen. De heksen woonden verspreid op de eenzame heidevelden en langs de moerassen en gingen daar menigmaal via mistige paden naar het mysterieuze zomerland. De predikant schreef een boek over zijn bijzondere speurtochten maar er was nauwelijks iemand in geïnteresseerd. De tijd was aan het veranderen; er was geen ruimte meer voor geheimzinnige toverij. De ondergang van de magische wereld was begonnen en het zou tot ver in de 20e eeuw duren voordat daar weer verandering in kwam. WORDT VERVOLGD

dinsdag 14 juli 2015

HERAION, TEMPEL VAN HERA BIJ ARGOS

Het Heraion was een heiligdom uit het einde van de 5e eeuw voor Christus, gewijd aan de godin Hera. Het behoorde bij het oorspronkelijke Argos dat ten oosten van de huidige stad lag. Hier woonden de priesteressen van Hera. In de tempel bevond zich een beeld van goud en ivoor. Er boven was de plek waar de Griekse leiders trouw zworen aan Agamemnon van Mykene alvorens zij naar Troje zeilden. Mykene lag ten noorden van het antieke Argos.

HIER EINDIGT EUROPA IN HET WESTEN

Het uiterste westen van Ierland, schiereiland Dingle, de Blasket Islands: hier eindigt Europa. Vanaf deze eilandengroep is er in westelijke richting alleen maar zee, duizenden kilometers. Op Great Blasket Island en het aangrenzende kustgebied werd(en wordt)het meest authentieke Gaelic gesproken. In de vorige eeuw kwamen schrijvers uit Engeland naar Great Blasket om zich die taal eigen te maken. Ze spoorden de eilandbewoners aan om hun barre dagelijkse leven en verhalen op te schrijven. Het leidde tot een wederzijdse intensieve correspondentie met als resultaat dat er in Engeland diverse boeken verschenen die al snel ook in vele andere landen werden uitgegeven. In 1953 moest de bevolking het eiland verlaten. Er woonden nog maar enige tientallen mensen en hun veilgheid kon, vooral in de wintertijd, niet meer gegarandeerd worden door de overheid Bij slecht weer wordt het eiland geteisterd door stormen en regen terwijl een kolkende oceaan de kusten onophoudelijk bestormt. Bij mooi weer is het een van de mooiste plekkken die ik ken met een rustige blauwe zee, zeehonden op het strand van de oude nederzetting, een prachtig uitzicht op de kust en Mount Brandon en een wandeling naar de hoogste heuvel op het eiland waar je het gevoel krijgt dat je in de hemel terecht komt.

maandag 15 juni 2015

DE KELTEN

In het midden van de 19e eeuw werden in het Oostenrijkse plaatsje Hallstatt bijna 900 graven blootgelegd van een bevolking die al sinds de 10e eeuw voor Christus mijnen groef in de nabijgelegen bergen waar zich kostbare zoutlagen bevonden. In de graven werden veel ijzeren wapens en werktuigen aangetroffen, zoveel dat archeologen later besloten om deze vondsten als de eerste karakteristieke bewijzen voor de IJzertijd aan te merken. Mijnwerkersgereedschappen diep uit de krochten van de aarde herinneren aan het zware werk dat hier verzet werd.
Met de vondsten uit Hallstatt traden de Kelten voor het eerst in het licht van de historie. Vanaf ongeveer 700 voor Christus zouden zij vanuit Oostenrijk en Zuid-Duitsland naar alle windrichtingen uitwaaieren, steeds verder op zoek naar nieuwe landbouwgronden. Zij vonden de ijzeren ploeg uit waardoor ook moeilijk bewerkbare bodems te lijf konden worden gegaan. Na vier eeuwen woonden hun nazaten langs alle westelijke kusten van de Atlantische Oceaan, van Ierland tot in Portugal. In het zuiden vond men hun nederzettingen tot in Noord-Italië en in het oosten tot diep in Turkije. Overal waren hun, soms kolossale heuvelforten en vorstengraven met rijke inhoud te vinden.
De Kelten waren niet uit op het stichten van een rijk. Elke stam had zijn eigen grondgebied en er was regelmatig onderlinge strijd. Zij hadden groot respect voor de hen omringende natuur die bevolkt werd door talloze goden en godinnen die in wouden, rivieren, meren en bergen huisden. Vooral in de Ierse en Welshe mythologie is veel bewaard gebleven van hun wereldbeeld en religie. Hun lot was dat in de eeuwen waarin zij een groot deel van Europa veroverden er in het zuiden een stad was die hetzelfde doel voor ogen had: Rome. In de eeuwen die volgden zou de strijd met de Romeinen in al hun gebieden uitbreken.

woensdag 10 juni 2015

MOUNT SNOWDON BEKLIMMEN

Het was niet ver lopen naar het pad dat naar de top van Mount Snowdon leidde, zei de vriendelijke eigenaresse van het B&B-adres Plas-Y-Coed/ Vijf kilometer dus en toen 1000 meter om hoog en weer omlaag over een afstand van 10 kilometer. Adembenemende uitzichten.