zondag 7 december 2014

HET WONDER VAN MIDWINTER IN SI an BHRU (NEWGRANGE)

De najaarsstormen die het land wekenlang hadden geteisterd en de bodem doordrenkt waren voorbij. Alles in de natuur was doornat geworden en er hing een waas van kilte en klamheid boven de heuvels en in de dalen. In de bossen dreven nog steeds nevelslierten. Zelfs paddestoelen konden er niet meer gedijen, maar het mos tierde welig op stronken en stammen. De wind kwam nu uit het noorden, droog en ijzig, en veegde de vochtige hemel schoon. De sterrenhemel werd 's nachts weer zichtbaar en af en toe vlamde het noorderlicht langs de horizon. De eerste winterse koude streek over de verkilde landschappen en meren. Rookkolommen stegen op uit de talloze nederzettingen en afgelegen boerderijen; het natte hout kon moeilijk vlam vatten en deed de vuren vaak verstikkend walmen. Enige weken voor midwinter verscheen de zon 's morgens eindelijk weer boven de horizon. Het was alsof er een warme gloed over het land rolde. De deuren van forten, boerderijen en ambachtelijke werkplaatsen werden wijd open gezet. Krijgers gingen op jacht, kinderen speelden weer buiten en priesteressen verrichtten weer hun rituelen bij de heilige bronnen. Drie weken voor Midwinter deed alom de gerucht de ronde dat de beroemde bard Taliesin uit het overzeese Cymru(Wales) op weg was naar de vallei van 'an Bhoinn'(de rivier Boyne). Hij was wijd en zijd bekend om zijn oude wijsheid en prachtige verhalen. Het was al weer tientallen jaren, misschien zelfs eeuwen geleden dat hij Eire(Ierland) bezocht had en er werd dan ook overal aan de oostkust gesproken over zijn komst. Taliesin was een vertrouwde gast aan het hof van koning Arthur waar hij menigmaal van gedachten wisselde met de tovenaar Merlijn over de toekomst van de wereld van de Ouden. Hij verbleef regelmatig op het heilige eiland Avalon bij Morgana le Fay. Taliesin kwam ongetwijfeld niet zonder reden. Hij kende de voorspellingen uit oeroude bronnen over deze uithoek van de Keltische wereld en hij wist dat er iets heel bijzonders aanstaande was in de vallei van 'an Boinn Op een koude wintermorgen verscheen aan de horizon het blauwe zeil van Taliesin's scheepje. Vroege vissers hadden zijn komst al waargenomen en begeleidden het naar de haven van Drogheda. Het bericht van zijn komst was hem al vooruit gesneld en aan de kust waren bewoners uit de wijde omgeving samen gestroomd in de hoop de beroemde dichter en helderziende van dichtbij te kunnen bekijken. Het scheepje werd op de oever getrokken en Taliesin stapte aan wal. Zijn lange haren en baard vielen over zijn groene mantel die getooid was met stroken bont en magische tekens. Zijn staalblauwe ogen straalden nog steeds in zijn door ouderdom en weer en wind gelooide gezicht en verraadden een geheimzinnige kracht. Vriendelijk knikkend naar allen die hem begroetten volgde hij de prinsen van Tara die hem verwelkomd hadden op weg naar het fort aan de kust. Taliesin vertelde dat hij rustige reis had gehad. De zee was rustig geweest en hij was niet geplaagd door regen. Hij vroeg hoe het hun vorst Finn Mac Cumhaill verging en het verheugde hem dat er al weer enige tijd vrede was in het land. Even later begroetten de vorst en zijn vrouw Deirdre de bard alsof ze oude vrienden waren. Finn Mac Cumhaill stelde zijn lijfwacht van trotse mannen en vrouwen voor; ze hadden hun opleiding gehad op de krijgsscholen van Macha en De Morrigon, de oorlogsgodinnen van het oude Eire. Hun wapens en sieraden glommen in het late middaglicht. Taliesin keek nog even terug naar de zee. Al weer ver achter de horizon lag zijn mooie land Cymru. Toen ze het hoofdgebouw van het fort betraden brandden de vuren onder de ketels vol heerlijke gerechten al uren lang. Alle bewoners waren voor deze speciale gelegenheid bijeengekomen. Er werd op de harp gespeeld en getrommeld en de bard van Finn Mac Cumhaill hield een prachtig welkomswoord. De geurende gerechten werden op lange houten tafels opgediend en het bier werd in grote houten bekers rond gedeeld. Liederen en spannende verhalen, die iedereen al talloze malen gehoord had, werden voorgedragen. het was de typisch Keltische manier om een belangrijk moment in te leiden. Uiteindelijk nam Taliesin het woord. Het werd doodstil in de grote hal. Vele vrouwen, mannen en kinderen keken de beroemde bard vol verwachting aan. 'Enige weken geleden kreeg ik bijzonder bezoek. Ze kwamen onaangekondigd op een avond waarop de maan vol aan de hemel stond. Ik herkende hen onmiddellijk ook al had ik nooit contact met hen gehad. Ik wist dat een prins en prinses van de legendarische Tuatha de Danann, het Oude Volk van Eire, voor mij stonden. Ze hadden een bijna onaardse schoonheid en ik voelde dat ze de wijsheid en ervaring van vele eeuwen in zich droegen. De prinses keek me indringend aan alvorens ze begon te spreken. 'Wij willen je vertellen dat er bij je vrienden in de vallei van 'an Bhoinn' een magische samenkomst zal plaatsvinden. Een krijger van de Kelten zal tijdens het midwinterfeest in het licht van de opkomende zon een prinses ontmoeten in het heilige graf van Si an Bhru. Uit hun verbintenis zal een bijzonder kind ontstaan. Vertel het je vrienden daar......' Taliesin probeerde hun woorden op zich in te laten werken maar terwijl hij dit deed verdwenen de elfen voor zijn ogen. Kleine blauwe lichtjes losten op in het niets op de plek waar ze zojuist gestaan hadden. Taliesin sprak verder. 'Vanaf dat moment gebeurde er elke dag wel iets waardoor ik voelde dat er op mijn reis naar deze plaats werd aangedrongen. De boot waar mee ik kwam verscheen van de ene op de andere dag in het haventje dicht bij mijn huis. Er stond ineens een mand vol proviand voor mijn deur en tenslotte meldde zich een elfenkrijger bij me om me te vertellen dat hij me op mijn reis zou begeleiden. Ik moest gewoonweg hier naar toe. Bij het zicht van de haven verdween de elf spoorloos. Ik was veilig aangekomen.' Taliesin zweeg en alle aanwezigen zwegen. Iedereen was onder de indruk van wat de bard zojuist verteld had. Er ging een lichte trilling door de hal en de vuren wakkerden aan. Groene en blauwe lichtschimmen bewogen zich langzaam door de hal en namen tenslotte de vormen aan van de prinses en prins die Taliesin in Cymru gezien had. De prinses stapte naar voren en sprak:'Taliesin, je hebt ons verzoek begrepen en onze wens vervuld. Het Elfenvolk dankt je daar voor. U, Finn Mac Cumhaill, gastheer van dit huis en het heilige gebied waarover u heerst, wil ik vragen om samen met ons de voorbereidingen te treffen voor de aanstaande bijzondere Midwinterviering in Si an Bhru. Wij zullen vereerd zijn met deze samenwerking zoals we die kennen uit de oude kronieken waarin wij samen tegen indringers optrokken.' Finn Mac Cumhaill maakte een diepe buiging voor zijn hoge gasten uit de Andere Wereld. 'Wees van harte welkom in ons midden, prinses en prins van de door ons hoog geachte Tuatha de Danann. Wij zijn vereerd met uw komst en het doel waar voor u komt. Wees verzekerd van onze gastvrijheid en steun.' Inmiddels maakten Oisin en Niamh met de Gouden Haren zich op een van de Westelijke Paradijselijke Eilanden gereed om op reis te gaan naar het Keltische Eire. Oisin was ooit een Ierse prins en krijger geweest maar was straal verliefd op Niamh geworden toen ze zijn land had bezocht. Samen waren ze te paard door de hemel naar het prachtige Westelijke Eiland gegaan waar ze al heel lang samen met hun kinderen leefden. De Ierse zeegod Manannan had hen ingefluisterd dat hun komst in het heilige Si an Bhru binnenkort gewenst was. Het zou een lange reis worden naar de aardse wereld waar echter ook de ouders van Oisin, zijn broers en zusters en zijn medestrijders van weleer wellicht nog leefden. Tijdens het pakken van hun bagage liet Niamh Oisin voorzichtig weten dat de tijd in Eire veel sneller verliep dan op hun magische eiland. Zijn ouders en alle andere bekenden konden veel ouder geworden zijn of waren misschien zelfs overleden. Oisin was hier uiteraard van op de hoogte maar had er zelden aan gedacht. Toen zij hun hemelse paarden bestegen bekroop hem de angst dat hij niemand uit zijn jeugd terug zou zien. In de dagen die volgden kwamen steeds meer prachtig uitgedoste hoge gasten uit alle delen van de Andere Wereld aan bij de burcht van Finn Mac Cumhaill. Iedereen keek met bewondering en soms met verbazing naar de prachtige gewaden en sieraden die de elfenprinsen en -prinsessen droegen. In de zalen en vertrekken ontstond een magische sfeer met bijzonder licht en geheimzinnige muziek. Kinderen van elfen en Ieren luisterden samen naar de mooie verhalen die tovenaars vertelden. Op en gegeven moment klonk de hoorn die de komst van de krijgers van de Tuatha de Danann aankondigde. Even later marcheerden de vrouwen en mannen in prachtige blauwe mantels, halvemaanvormige gouden halssieraden en hun zilveren wapenrusting de hal binnen en bogen voor de verzamelde vorsten en vorstinnen. Kostelijke spijzen en dranken werden opgediend en rond gedragen en het was alsof de aloude glorie van Eire terug was gekeerd. Uiteindelijk arriveerde ook de Cailleach, de beroemde oude wijze vrouw en iedereen wist dat ze zou gaan vertellen de macht en roem van het groene eiland in lang vervlogen tijden. Toen de Cailleach begon te spreken werd het doodstil in de kasteelzaal. Iedereen had een goede plek gevonden om haar befaamde verhaal te horen. Uit haar grote ketel kronkelden geurige kruidendampen omhoog. Met haar mantel vol sterren, haar punthoed en haar bergkristallen toverstaf wandelde ze in cirkels door de hal en liet haar blikken gaan langs allen die vol verwachting zaten te wachten. Uiteindelijk zette ze zich neer op de zetel die voor haar klaar was gezet. Plotseling begon ze te spreken: 'Duizenden zomers en winters geleden regeerden de Tuatha de Danann over heel Eire. Ze dreven handel met landen die vele dagen varen hier vandaan lagen. Er was overal welvaart en het land bracht elk jaar rijke oogsten voort. In het buitenland stond ons elfenvolk bekend om fraaie kostbare kleding en sieraden. De goden en elementen waren ons goed gezind. Voor onze doden legden we indrukwekkende begraafplaatsen met magische grafkamers aan en overal verrezen steenkringen waar de seizoenswisselingen gevierd werden gevierd. Onze wijsheid was befaamd in alle landen die we kenden en onze barden vertelden en zongen overal over ons mooie land. Deze tijd leek eindeloos voort te duren maar op een gegeven moment verschenen er schepen vol krijgers aan de oostelijke horizon. Ze wilden bezit nemen van het eiland en hadden wapens van een onbekend metaal, dat ze ijzer noemden, en waartegen wij niet opgewassen waren ook al waren onze strijders moedig en sterk. Uiteindelijk wonnen de Milesiers(Kelten) en spraken we af dat zij voortaan bovengronds zouden heersen en wij in de ondergrondse, vaak afgelegen gebieden en op de westelijke eilanden. Na verloop van tijd merkten de invallers echter dat wij hen met onze magie en bijzondere gaven steeds meer beinvloedden. Ze waren niet opgewassen tegen onze bovennatuurlijke krachten en begonnen ons gaandeweg te zien als een ras van goden en helden. Uiteindelijk kwamen we weer nader tot elkaar en leerden we elkaar te begrijpen en met elkaar samen te werken. Deze speciale bijeenkomst is daarvan een mooi voorbeeld. Binnenkort zal de magie van de Tuatha de Danann weer zichtbaar worden tijdens de Midwinterviering en we zullen er allemaal getuige van zijn. Op de vooravond van de Midwinter Solstice waren alle gasten van Finn Mac Cumhaill en zijn vrouw Deirdre en de prinsen en prinsessen van de Tuathade Danann rond grote vuren verzameld op gepaste afstand van de enorme grafheuvel Si an Bhru. Ook nu werd er weer rijkelijk veel gedronken, gegeten en muziek gemaakt. De Cailleach was bij het ondergaan de heuvel binnen gegaan via de lange stenen gang die naar de grafkamer leidde. Zij zou er zonder verwarmend vuur en in complete duisternis tot aan het eerste licht van de nieuwe dag verblijven. Rond middernacht ervoer zij een trilling en zij wist dat Oisin en Niamh met de Gouden Haren nu ook in het hart van de grafheuvel waren. Zij zag hun zachtblauwe, bijna doorzichtige silhouetten en ze spraken met elkaar zonder woorden. Ze noemde geluidloos de magische spreuken die Oisin en Niamh over enige uren moesten uitspreken. De betovering begon en de grafkamer begon langzaam maar zeker warm te worden. Er klonk geluid van stromend water en de in lichte welving van de heilige maalsteen werd een oranjerode gloed zichtbaar. De stem van de Cailleach begon te haperen en zweeg na enige tijd. Even was het doodstil diep in moeder aarde. Oisin en Niamh stonden hand in hand, in afwachting van het geluid dat hun oren elk moment kon bereiken. Eerst was het nauwelijks hoorbaar. Niamh voelde en hoorde als eerste de trilling van een nog nauwelijks kloppend hart. Oisin nam het al spoedig ook waar en beiden voelden hoe hun lichamen warm werden en deze warmte uitstraalden naar het wezen dat vanuit en tussen hen in ontstond. Even later voelden ze de handen van het nieuwe leven................... De eerste zonnestralen van de nieuwe dag schenen door de lange gang in de grafkamer. Eerst nog zwak maar al snel steeds helderder totdat de hele ruimte werd verlicht. Oisin en Niamh voelden de nieuwe dag en keken naar elkaar en zagen tussen hen in meteen het kind waarvan ze wisten dat het de afgelopen uren was geboren. Het reikte bijna tot hun schouders. Het meisje had prachtige goudblonde lokken en betoverende blauwe ogen. Vol trots liepen de elfenprins en -prinses met hun prachtige dochter door de lange gang naar buiten.

zaterdag 22 november 2014

VERDWAALD IN DE TIJD

Het was al weer een tijdje geleden dat ik Deventer bezocht. Misschien wel een paar jaar. Als kind kwam ik er regelmatig, logeren bij mijn grootouders of oom en tante. De stad was toen nog niet zo groot en met de fiets was je binnen tien minuten buiten de bebouwde kom. Aanvankelijk kwam ik met de trein uit Amsterdam waar ik toen woonde. 's Avonds was dat vooral spannend als de trein door de donkere Veluwe raasde. Later ging ik met de fiets, een tocht die wel zeven uur in beslag nam. Ik volgde voornamelijk de fietspaden langs de oude rijksweg en ondanks het feit dat ik het altijd een leuke onderneming vond was ik toch steeds weer blij wanneer ik weer de vertrouwde IJsselbrug over reed en de oude stad links van me zag liggen. Bij elk bezoek bezocht het historische museum in de Waag en het Speelgoedmuseum in De Drie Haringen. Het laatste gebouw zal vol met boeiende kamers waarin je over krakende houten vloeren liep en wenteltrappen. Elke keer als ik er kwam waande ik me terug in de tijd. Ik keek naar oude toverlantaarns met prachtige projectieplaatjes en bij het zien van de kijkdozen en poppenhuizen reisde ik door allerlei fasen en voorstellingen uit de 18e eeuw. Aan dit alles moest ik denken toen ik onlangs weer, maar nu met de auto, over de IJsselbrug reed. Ik was begonnen aan een nieuw boek waarvan de inhoud zich onder meer in Deventer afspeelde en wilde de eerste aantekeningen in het hart van de oude Hanzestad schrijven. Na de auto bij de IJsselkade te hebben geparkeerd liep ik al snel weer op de oude vertrouwde Brink. Het was al aan het eind van de middag en besloot eerst wat in een leuke bar of restaurant te gaan drinken om in de juiste stemming te komen. Zonder na te denken sloeg ik een tot dan toe voor mij onbekende steeg in en zag al meteen aan mijn rechterzijde door het glas van een grote oude deur de knusse gezelligheid van mensen die met een glas wijn de werkdag aan het afsluiten waren. Ik hoorde geen muziek die de op dat moment opborrelende schrijfcreativiteit in de weg kon staan en koos een tafeltje uit waar ik een goed zicht op het interieur had. Nippend aan de wijn keek ik vol verbazing rond. Overal hingen schilderijen en tekeningen uit de jaren vijftig en zestig met voorstellingen die destijds menige huiskamer tooiden: kleurig uitgedoste zigeunervrouwen die duidelijk van het leven genoten, kindertjes met tranen in de ogen, herten met reebruine trouwe kijkers en naast dit alles was er duidelijk naar gestreefd om tot in alle uithoeken een sfeer van gezellige kitsch te realiseren. Het was een ouderwets vrolijke ambiance die mij naar de pen deed grijpen en ik begon maar met te beschrijven wat ik om me heen zag. Het zou vast in mijn verdere verhaal passen. Na nog enige glazen wijn en een smakelijke maaltijd maakte ik de eigenaresse een compliment over de bijzondere inrichting van haar restaurant waarop zij vertelde dat er in de kelder nog veel meer te zien was en ik mocht daar rustig rond kijken. Ik daalde nieuwsgierig de trap af en werd bij meteen geconfronteerd met een enorm schilderij van opnieuw een zigeunervrouw. Daarna volgden nog andere kunstwerken, bontkleurige spiegels en fonteinen en idem dito uitgedoste sierobjecten. Aan het eind van het met dit alles gevulde gewelf hing een donkerpaars gordijn van enige meters breed. Voorzichtig schoof ik het een stukje opzij en zag tot mijn verbazing een lange gang die verlicht was met brandende kaarsen in kandelaars aan de muur. Ook hier hingen weer schilderijen, maar ze waren van een hele andere aard en ongetwijfeld erg oud en origineel. Het eerste werk deed me meteen denken aan de voorstellingen van de jaargetijden die door schilders als Breugel in de 16e eeuw werden gemaakt. Veel blauwe en blauwgroene tinten, bijna surrealistische laatmiddeleeuwse landschappen met kastelen en dorpjes tegen berghellingen en op rotsen en aan de horizon vaak een glimp van de zee. Het tweede schilderij was idem dito samengesteld en hetzelfde gold voor nog een aantal panelen die verderop in de gang hingen. In het volgende gewelf werden de voorstellingen duidelijk anders en leek het alsof Jeroen Bosch met zijn extravagante wezens de kunstenaars hadden geinspireerd. De temperatuur in deze ruimte was ook aanmerkelijk lager en de muren waren voelbaar vochtig. Ik naderde een enorme houten deur met ijzeren beslagwerk. Voorzichtig duwde ik het gevaarte open en terwijl de geluiden en geuren van die deur in me opnam zag ik dat ik in een smalle steeg was beland, Aan weerszijden werden allerlei goederen verhandeld, er werd in grote potten gekookt en er klonk muziek uit vervlogen tijden. Voorzichtig liep ik door het smalle straatje en het gevoel bekroop me dat in de middeleeuwen terecht was gekomen. Handelaars, potsemakers en muzikanten die ik passeerde leken me niet te zien. Aan het eind van de steeg brandde een enorm vuur op een verhoogd platform. Er stonden heel veel mensen waarvan sommigen schreeuwden en anderen teruggetrokken zwegen. Soldaten en priesters duwden een vrouw het schavot op in de richting van het vuur. Ik keek met afgrijzen toe. Ineens klopte iemand op mijn schouder en ik draaide me om. Ik zag een silhouet van een man in donkere kleren; hij leek geen gezicht te hebben maar gaf me duidelijk aan dat ik op deze plek niet hoorde te zijn en terug moest gaan. Ik holde terug door de steeg door de houten deur, langs de gewelven met schilderijen en de trap op naar het restaurant. De eigenaresse was juist bezig met afsluiten. Ik betaalde snel en zij deed de deur achter me dicht en op slot. Voordat ik me uit de voeten maakte draaide ik nog even om. Tot mijn stomme verbazing keek in naar de gevel van een brocanteriezaak.

dinsdag 11 november 2014

MAGISCHE PLAATSEN IN ENGELAND EN WALES

Van boven naar beneden:Brent Tor, Dartmoor;Tintagel,Cornwall;Avebury,Wiltshire;Rocky Valley,Cornwall;Fairy Glen,Wales,Pentre-y-fan,Wales;St.Nectan's Glen,Cornwall;Rocky Valley,Wales;West Kennet Long Barrow,Wiltshire.

donderdag 30 oktober 2014

HALLOWEEN AAN DE IJSSEL

De winkels gaan sluiten als ik vanaf de Brink in Deventer naar de parkeergarage bij de IJsselbrug loop. Pompoenen met griezelige gezichtstrekken en heksenpuntmutsen in sommige etalages herinneren me er aan dat het vanavond Halloween is. Dichterbij de rivier zie ik een dichte mistbank boven het water hangen. Wanneer ik even later langs de oever in zuidelijke richting naar de A1 rijd drijven de eerste nevelwolken al over de kaden en dijken. Het belooft een onaangename rit te worden. Vanaf de snelwegbrug kijk ik uit over een witte deken die de IJsselvallei zover het ook reikt heeft bedekt. Even later glijden de eerste nevelslierten over het wegdek heen. In de verte voor me zie ik blauwe zwaailichten. Kennelijk is er door de veranderde weersomstandigheden al een ongeluk gebeurd. Rode remlichten worden zichtbaar door de mist en langzaam maar zeker komt het verkeer tot stilstand. Even later hoor ik op het nieuws dat de IJsselstreek plotseling is overvallen door dichte mistbanken. Tussen Deventer en Apeldoorn heeft een enstig ongeluk plaatsgevonden. Na een half uur wordt het inmiddels weer langzaam voort rijdende verkeer naar de rechter wegstrook geleid en vervolgens naar de afslag Twello-Wilp. Ik moet naar Arnhem en besluit geen risico's te nemen en te proberen via Voorst, Zutphen en Dieren te rijden. Het zicht op de weg is ronduit slecht en ik merk al snel dat ik Wilp op de een of andere manier gepasseerd moet hebben. Hier en daar wijkt de mist even waardoor ik kan zien dat ik door een boomrijke omgeving rijd. Even later ben ik kennelijk weer bij een rijksweg beland en kan ik vaag een wegbord onderscheiden. Zutphen is links af. De mist heeft weer bezit van het land genomen en ik vervolg vrij langzaam mijn weg. Af en toe zie ik de lampen van andere weggebruikers. Plotseling doemt een rotonde voor me op. In mijn herinnering moet ik hier rechts af maar ik rijd plotseling over een vrij smalle weg waar de mist een akelig dichte vorm aan neemt. De weg is te smal om om te kunnen keren en ik zie nergens een plek waar ik kan draaien. Achteruit rijden is geen optie. Gelukkig kan ik het weggetje nog enigszins herkennen en zijn er geen tegenliggers. Na een rit die eindeloos lijkt ontwaar ik plotseling een hek op de weg. Ik kan niet verder en ook niet terug. Ik probeer te bellen maar het apparaat reageert nergens op. Uiteindelijk stap ik uit, sluit de auto af en ga op onderzoek uit. Ik klim over het hek en volg een ongeplaveid pad Er volgt al snel een bocht naar rechts. Na ongeveer tweehonderd meter sta ik voor een huis waarin geen enkel licht brandt. Er volgt nu een voetpad naar links. Ik passeer rechts al snel een veel kleiner huisje dat hier en daar al door de tand des tijds is aangetast. Ook hier lijkt alles verlaten. De mist lijkt iets minder te worden. Na enige stappen sta ik voor een enorme boom en daarachter het donkere silhouet van een oude vervallen kasteeltoren. De nevelslierten wijken nog verder terug en ik zie rechts van de toren een kleine poel en links een klein poortje dat is overwoekerd met bladeren en takken. Ik worstel me er door heen en loop tussen kreupelhout en vervallen muren naar de achterzijde van de toren. Ik ontdek een kelderruimte en op het moment dat ik die betreed hoor ik plotseling een oorverdovend lawaai dat me aan de geluiden van oorlogsfilms doen denken. Ik krijg het idee dat de muren door projectielen worden geraakt en dat er kogels om mijn oren vliegen. Kruitdamp dringt mijn neus binnen en ik hoor stukken muur instorten. Even later neemt het wapengekletter van zwaarden die elkaar hard raken de overhand. Er wordt geschreeuwd en geroepen door mannen en vrouwen...........Dan wordt het weer heel stil. Ik klim de kelder uit en kijk uit over een maanovergoten rivier waarvan de golven tegen de fundamenten van de toren klotsen. Vanaf de overkant komt een scheepje aanvaren. Als het dichterbij komt zie ik dat er niemand in zit en toch komt het rechtstreeks op me af. Even later schuift het de oever op. Ik kijk er naar en vraag me af of ik er in moet stappen. Dat het zo maar bij mij aan land is gekomen lijkt me geen toeval. Ik ben toch al in een merkwaardige situatie terecht gekomen en ik waag de overtocht, want ik neem aan daat het scheepje weer terug vaart. Ik zet me neer op een eenvoudig bankje en zie op de zitplek tegenover mij iets glinsteren. Ik pak het op en herken een oude zilveren munt. Terwijl ik in het licht van de maan probeer te zien wat er op staat komt het bootje weer in beweging. In het water zie ik beelden weerspiegelen van grafzerken en gezichten van mensen die overleden zijn. Geen geluid verstoort de stilte. Na enige minuten zie ik de andere oever opdoemen. Boven de dijk zweven blauwe lichtjes; zouden dit de dwaallichtjes kunnen zijn die ik ken uit oude overleveringen? Zieltjes van ongedoopte kinderen? Een onzichtbare hand lijkt het scheepje op de oever te trekken. Ik kijk achterom en zie nog vaag het donkere silhouet van de kasteeltoren. De blauwe lichtjes lijken me als wegaanduidingen langs een vrijwel onzichtbaar pad te leiden. Ik begin aan een wandeling waarvan ik de bestemming niet ken. Na ongeveer een kwartier zie ik een bosrand opdoemen. Zodra ik daar ben aan gekomen zie ik in de duisternis van het woud een heuvel die door een blauwgroene glans lijkt omgeven. Door het maanlicht is het lopen in het donkere bos niet moeilijk. Het mysterieuze licht wordt steeds helderder en uiteindelijk herken ik het silhouet van een prehistorische grafheuvel. Tot mijn verbazing is er een enorme deur in de heuvel van waar uit het blauwgroene licht komt. Is dit het eindpunt van mijn speurtocht? Moet ik de heuvel binnen gaan? Het lijkt van me verwacht te worden. Eenmaal in de heuvel valt er niets meer te bespeuren van de aarde en heide aan de buitenkant. Ik sta in een enorme, feestelijk verlichte ruimte die aan een middeleeuwse ridderzaal doet denken. Er zijn rijk gedekte tafels en overal lopen vrouwen en mannen in prachtige kleding rond. Er wordt gezongen en er klinkt harpmuziek. Ik loop door de zaal en val van de ene in de andere verbazing. Waar ben ik terecht gekomen? Uiteindelijk sta ik op een breed bordes waar ik uitkijk op een prachtig landschap waarin ik ook de kasteeltoren die ik zojuist verlaten heb herken. Ik neem plaats in een prachtig gebeeldhouwde houten stoel en neem het landschap in mij op. De vele wijn die ik in de ridderzaal gedronken heb heeft me slaperig gemaakt. Voordat ik in dromenland verdwijn zie ik nog even de kasteeltoren naderbij komen................. Plotseling wordt ik weer wakker. Tot mijn verbazing zit ik weer in mijn auto voor het hek dat me belemmerde door te rijden. De mist is opgetrokken en de zon begint op te komen. Op het hek zit een kraai me op te nemen. Als ik uitstap vliegt hij weg net als vele soortgenoten uit de nabije bomen. Even verder op zie ik de kasteeltoren.