vrijdag 19 september 2014

DE ZWARTE GRAAL

Tijdens de Libanese burgeroorlog komen als gevolg van het strijdgeweld de resten van een unieke Phoenicische tempel aan het licht. Buitenlandse archeologen schieten te hulp om de uitzonderlijke overblijfselen te redden. Het onderzoek eindigt in een drama als de archeologen het slachtoffer lijken te zijn van een oeroude vervloeking. Na de reddingsactie van de overlevenden blijkt dat er in de tempel oude giftige schimmels zijn vrijgekomen. De opgraving heeft aanwijzingen opgeleverd over de Zwarte Graal, een mysterieus relikwie dat sinds de Oudheid een zwerftocht maakt langs gebieden waar kwade machten lijken te heersen. Twee geheime genootschappen, die elkaar al eeuwenlang op leven en dood hebben bestreden bij de speurtocht naar de meest heilige schatten uit het verleden, besluiten samen te gaan werken omdat een zeer agressieve derde partij eveneens op zoek blijkt te zijn naar de verdwenen kostbare beker: de Wrekers van Baal. Vanaf dat moment stapelen de explosieve gebeurtenissen zich op tijdens een queeste die naar Andalusië in Zuid-Spanje, Carthago in Tunesië, Zuid-Egypte, Slowakije en Transsylvanië in Roemenië voert. Uiteindelijk vindt de Zwarte Graal op onnavolgbare wijze zijn eigen weg op een manier die de wereld zal schokken... Uitgeverij ClusterEffect

maandag 15 september 2014

vrijdag 5 september 2014

EEN MERKWAARDIGE TOCHT DOOR HET BOS

De hemel kleurde langzaam lichter door de opkomende zon die nog achter de bomen schuilging. De klamme nevelslierten in het bos losten op en maakten plaats voor de oranjeroze gloed van de nieuwe dag. Bij de eerstvolgende bocht van de zandweg werd een al volop door de zon beschenen heideveldje zichtbaar. De prehistorische grafheuvels die er lagen wierpen lange schaduwen. Volgens de overlevering werden ze bewoond door priesteressen uit de Oudheid. De heide stond in bloei en verspreidde een zoete honinggeur. Iets verderop strekte zich een ven uit; het pikzwarte water deed vermoeden dat de plas bodemloos was. Ik keek naar het rondom gelegen bos en merkte dat het overal opvallend stil was. Het zandpad voor mij uit verdween in de bosrand. Ik vervolgde mijn weg, op mijn hoede voor eventuele geluiden, maar die bleven uit. Even leek het alsof er een zachte bries op stak en de wind tussen de bomen door streek. Kort daarna was het weer even stil als tevoren. Het droge mulle zand verstoof bij elke voetstap een beetje. De zonnewarmte begon intussen in kracht toe te nemen. Het zou een warme zomerse dag worden en de verdere tocht zou dan ook moeizaam zijn. Er waren immers nog kilometers te gaan. Zodra ik weer door het bos omgeven was voelde ik dat er iets was veranderd. De lucht was zwaarder geworden, warmer en droger. Ik keek achterom en zag boven de open plek van het heideveldje en de veenplas donkere wolken naderen die voortdurend in beweging waren en van kleur veranderden, van grijsblauw tot een mengelmoes van paars met groene en gele tinten. Er was duidelijk onweer op komst. Ik versnelde mijn pas en hoopte op tijd een beschutte plek te kunnen vinden. Het eerste gerommel klonk en een nog ver verwijderd bliksemlicht gaf aan dat de donderbui snel naderde. De eerste druppels daalden uit de hemel neer en al snel was er sprake van een ware stortbui. Ik begon te hollen op zoek naar een veilige schuilplaats. Terwijl de bliksemschichten zich overal om heen knetterend tussen de bomen door in de aarde boorden werd ik doodsbang; ik rende door plassen en voelde steeds takken in mijn gezicht slaan. Plotseling explodeerde een boom voor mijn ogen. De bliksem had zich in de stam geboord en vlammen dwarrelden langs het hout omhoog en opzij. Stijf van de schrik stond ik stil en keek er naar. Ik kon niet aan het onweer ontsnappen..............Voor me doofde het vuur langzaam. Het duurde wellicht vele minuten maar langzaam maar zeker realiseerde ik me dat het niet meer regende. De zon keerde niet terug; het leek alsof het al avond was geworden. Doornat en doodmoe begon ik weer te lopen. Ik zag de volle maan tussen de bomen door en de eerste sterren werden zichtbaar aan het firmament. Ik weet niet meer hoe veel tijd er verstreken was maar opeens zag ik langs de weg voor me lichtjes branden. Enige minuten later ontwaarde ik een oude herberg. Kaarslichtjes en licht van olielampen achter de ramen nodigden uit om naar binnen te gaan. Op mijn kaart had ik geen enkele pleisterplaats op deze route kunnen vinden. Er stonden verschillende oude huifkarren langs de weg.De paarden waren waarschijnlijk vanwege het noodweer in de stal ondergebracht. De tekst en afbeelding op het door de wind heen en weer zwaaiende uithangbord waren onherkenbaar. Eindelijk was ik veilig voor het onweer. Ik opende de deur en voelde de warmte van grote haardvuren en snoof de geuren op van pruttelende kookpotten. De herberg was overvol maar ik wist toch een plekje niet ver van het vuur te vinden. Ik zat nog maar nauwelijks toen een vrouw met kruiken in beide handen voor mij stond. Ze had lange donkerrode haren en was gekleed in een witte blouse en een bruine lange rok. Ze vroeg onmiddellijk of ik wat wilde eten en of ik een slaapplaats wenste. Ietwat onthutst knikte ik bevestigend en onmiddellijk was ze weer verdwenen. Om me heen werd druk gepraat en ik ving woorden op die ik allen maar kende van oude boeken. Eerst dacht ik dat het een soort dialect was maar ik hoorde daarnaast ook en merkwaardig soort Duits. Plotseling was de vrouw er weer met een kruik bier en een bord met gestoofd vlees. Ze vertelde dat er een slaapplek voor mij was als ik genoegen nam met een ruimte in de stal. Uiteraard was ik daar tevreden mee. Alles was immers beter dan nog op weg te moeten zijn door de stromende regen en het onweer. Het eten had bovendien voortreffelijk smaakte en ook de kruik bier was welkom. De slaapplek in de stal bleek een aangename bedstede te zijn en niet een berg stro in een hoek van de stal. Ik dacht na over hoe merkwaardig mijn tocht was verlopen. Ik was 's morgens vroeg vertrokken en tijdens het onweer was het ineens avond geworden. De oude herberg die ik was binnen gevlucht kwam me niet geheel onbekend voor; het gebouw deed me denken aan een oude tolherberg in de Achterhoek maar die was al decennia lang in gebruik als museum. De tocht die ik gepland had leidde van Nunspeet naar Vaassen op de Veluwe. Tijdens mijn maaltijd had ik de bezoekers wat nauwkeuriger waargenomen en, te oordelen naar hun kleding, leken me weggelopen te zijn uit een schilderij van Jan Steen. Onzin natuurlijk, maar ik kon me toch niet helemaal aan de indruk onttrekken dat er ergens iets niet klopte; alsof ik onderweg op een andere plaats of in een andere tijd terecht was gekomen. Ik sliep in een bedstede in een herberg die niet op de kaart stond vermeld. Ik sukkelde bijna in slaap toen ik de staldeur hoorde kraken. Ik hoorde voetstappen naderen en zag het licht van een kaars dichterbij komen. In het licht daarvan herkende ik het gezicht van de herbergierster. Ze zette een stoel bij de bedstede neer, ging er op zitten en begon tegen me te praten. 'Ik weet dat je over mij en mijn zusters geschreven hebt en dat je in lezingen over onze oorsprong en geschiedenis gesproken hebt. Ik heb je herkend en weet dat mij kunt helpen om aan mijn lot van nu te kunnen ontsnappen.' Ik keek haar met een vragende blik aan. Terwijl haar diepblauwe ogen me strak aankeken veranderde haar uiterlijk langzaam van kleurige in lichtere tinten; haar haren, haar huid en haar kleren werden spierwit. Het duurde even voor ik me realiseerde wat er gebeurde maar toen kwam mijn jarenlange onderzoek naar witte wieven me glashelder voor ogen en ik wist dat dit een bijzondere ontmoeting was. Ze vervolgde haar verhaal. 'Jaren geleden heeft de baas van deze herberg me ontvoerd toen de deur van mijn woning open stond. Ik mocht nooit meer de deur uit en moest voor de bediening zorgen. Om zeker te zijn dat ik niet zou ontsnappen liet hij door een kunstenaar een tekening van mij maken waardoor hij mij aan dit huis ketende. De tekening hangt in deze bedstede maar ik kan hem niet pakken omdat hij de bedestee heeft beschermd met symbolische afbeeldingen.' Ik had de 'afbeeldingen' die hij bedoelde gezien maar er geen aandacht aan besteed. Ik kon echter goed begrijpen dat ze voor haar een belemmering vormden om haar vrijheid terug te krijgen. Buiten waren regen en onweer verdwenen. Het licht van de volle maan viel door en klein raampje naar binnen. Ik streek met mijn hand langs de stenen binnenmuur en vond al snel een ingelijste tekening. In het maanlicht zag ik de vrouw voor mij afgebeeld zoals ze nu voor mij zat. De herbergier had ongetwijfeld gedreigd haar ware identiteit bekend te maken als ze niet voor hem wilde werken. Ik nam het kunstwerkje van de muur en stapte uit de bedstede. De witte vrouw volgde mij over de deel naar de staldeuren. Enige minuten later stonden we buiten en keken elkaar aan. Ik gaf haar de tekening en zag hoe in niets meer leek op de vrouw die me in de herberg van eten en drinken had voorzien. Ze leek bijna doorschijnend. Samen liepen we het bos in over een pad dat, naar het scheen, alleen zij kon volgen. 'Ik kende jou niet', zei ik, 'maar hoe wist je wel van mijn bestaan?' Ze stond even stil en keek me met haar intens blauwe ogen indringend aan. 'Je zou het moeten weten,' antwoordde ze. Ik, wij, mijn zusters, zijn de grenzen van de tijd voorbij en kunnen dus ook in de toekomst kijken. Wij zijn immers de wachters van de Andere Wereld. Ik had de pech om in een aardse valkuil te geraken, maar je hebt me gelukkig bevrijd.' Zacht geruis ging door de bomen en ik zag haar zusters dichterbij komen. Minutenlang stonden we samen op een open plek die door de maan beschenen werd. Toen strekte ze haar armen naar me uit en ik deed hetzelfde. Terwijl mijn handen warm werden zag ik haar en haar zusters wegglijden als ijle witte gestalten. Toen ik mijn weer gesloten handen weer opende zag ik een prachtige bronzen armband die ,naar ik wist, heel oud moest zijn......................... Rechtsonder het portret had ik de naam van de kunstenaar en het jaartal zien staan: Jan de Vliegher, 1660.

woensdag 27 augustus 2014

WILD EN WOEST WAREN DE HEIDE EN HET WILDE VEEN.........

'Wild en woest en ledig was het ruwe veen. Slechts de heide vlocht er kransen over heen, boog zich over de oevers van de bruine plas en verborg de diepten van het zwarte moeras.' Heidevelden ontstonden in de tijd van de oudste landbouw, duizenden jaren geleden. Er werden honderden grafheuvels aangelegd gedurende vijftien eeuwen. Later vertrokken de boeren naar de vruchtbare rivierdalen langs de zandgronden. De grote stille heide raakte verlaten. De heidevelden werden het terrein van doortrekkende handelaren, struikrovers, wolven en witte wieven. Op en rond de heidegebieden waren veenplassen en moerassen die zich tot aan de horizon uitstrekten. Ooit werden er offer aan de goden gebracht: gebruiksvoorwerpen, wapens, sieraden en soms zelfs mensen. Tot ver in de 19e waren heidevelden en moerassen gebieden die gemeden werden. Toen kwamen er schilders en schrijvers die op doeken en geschriften hun bewondering voor deze oerlandschappen vastlegden. Voor het zover was waren er al sinds mensenheugenis geheimzinnige verhalen ontstaan over reuzen die meren hadden gegraven en hunebedden aangelegd, sompige leemkuilen waarin kloosters en kapellen waren verzonken, duivelskolken en -stenen, graven van stamhoofden uit de Bronstijd en grafheuvels waarin de witte wieven woonden............Wanneer de dagen weer korter werden en najaarsstormen en duisternis het land in hun greep kregen kroop de nevelachtige klammigheid langs boomstammen en vanuit de heidevelden en moerassen omhoog en 's avonds bescheen de maan een wit landschap waar alleen de bomen boven uitstaken. In de boerenhoeven in deze eenzaamheid waren de luiken en deuren vergrendeld en was het haardvuur hoog opgepookt Rond de vuren werden de verhalen van generatie op generatie doorverteld.Er werd ademloos naar geluisterd en iedereen wist dat het in die tijd buiten niet pluis was.

donderdag 21 augustus 2014

STEENKRINGEN, STEENRIJEN EN STENEN GRAFKAMERS IN EEN GROOT DEEL VAN EUROPA; OEROUD EN MYSTERIEUS

'Hoary and lichened by age, grim and fretted by a thousand storms, our ancient megalithic monuments are still numerous, massive and full of mystery'(Walter Hohnson, 1908) Toen ik tijdens de eerste geschiedenisles de leraar over hunebedden hoorde vertellen kreeg ik de indruk dat de bouwers als primitieve ongeletterde barbaren werden gezien. Ze mochten dan wel enorme keien kunnen verslepen en op elkaar stapelen maar verder bleek er in hun samenleving weinig te zijn wat beschaving kon worden genoemd. Ze waren boeren, gebruikten vuurstenen werktuigen en maakten versierde potten die ze meegaven aan de doden als ze in het hunebed begraven werden. Eigenlijk zou het nog 3000 jaar duren voordat er licht kwam in de prehistorische duisternis van de lage landen. Pas met de komst van de Romeinen kon er van beschaving gesproken worden. De Romeinen schreven immers en legden wegen en steden aan. De hunebedbouwers waren toen al lang vergeten en met hen alle andere mensen die hier sindsdien gewoond hadden. De prehistorie, de tijd waarin er geen geschiedenis werd geschreven, was in de vergetelheid geraakt en zou dat tot na de Middeleeuwen blijven. Het woord prehistorie werd overigens pas in de 19e eeuw voor het eerst gebruikt. Het was een soort verzamelnaam voor alles wat tot het 'heidense' verleden behoorde, oftewel de tijd die voorafging aan het Christendom. De eerste christenen wilden niets weten van de erfenis van het verleden. Heilige wouden werden omgehakt en heilige plaatsen als bronnen en grote stenen werden verboden gebied. In de 19e eeuw moest de prehistorie opnieuw worden uitgevonden. Om dat enorme tijdperk ruwweg in te kunnen delen scheidde een Deense museumdirecteur de archeologische vondsten in zijn verzameling in stenen, bronzen en ijzeren voorwerpen en werd sindsdien gesproken van steentijd, bronstijd en ijzertijd. De vroege oudheidkundigen werden keer op keer geconfronteerd met vondsten die steeds ouder bleken te zijn. Er was enorm veel weerstand tegen de ouderdom van de vondst van de eerste Neandertaler bij Dusseldorf en later tegen de ontdekking van rotsschilderijen uit de IJstijd in Frankrijk en Spanje; rendierjagers konden onmogelijk kunstenaars zijn geweest. het is nog maar een halve eeuw geleden dat de hunebedbouwers, in ieder geval in het onderwijs, gezien werden als de eerste bewoners van ons land. Nu gaan we er van uit dat de eerste mensachtigen hier al voor de ijstijden leefden Toen ik het eerste hunebed zag kon ik me niet meer voorstellen dat de bouwers primitieve barbaren waren geweest. Het bouwen van zo'n stenen graf was een enorme klus waarvoor veel organisatie nodig was. In Drenthe alleen werden er al tientallen gebouwd en dan hebben we het nog niet over de talloze identieke grafkelders die in dezelfde tijd in Noord-Duitsland, Denemarken en een deel van Polen werden aangelegd. In dit enorme gebied gebruikte men min of meer identieke gebruiksvoorwerpen en er was ook duidelijk sprake van internationale handel in vuurstenen bijlen en barnsteen . Vele jaren later kreeg ik pas werkelijk een idee van de impact van de megalithische monumenten toen ik in het Gemeentemuseum Arnhem in samenwerking met Britse-, Ierse-, Belgische-, Franse- en Duitse colega's een tentoonstelling samenstelde over 'De Fascinerende Wereld van Stonehenge'. Het bouwen met grote stenen hield namelijk niet op na de aanleg van de hunebedden; er zou nog eeuwenlang, tot diep in de Bronstijd, gesjouwd, gesleept en gebouwd worden met enorme keien en cultuurgebied wat er bij hoorde werd steeds groter. Na de hunebedbouwers kwamen de mensen van de bekercultuten die hun doden in grafheuvels begroeven. Van Ierland tot in Tjechoslowakije en van Nederland tot in Zuid-Europa werden megalithische monumenten gebouwd waarbij de klokbeker als vrijwel overal voorkomende grafgift diende. Er was sprake van uitwisseling van goederen, rituelen en grafgebruiken over duizenden kilometers. De contacten verliepen voor een belangrijk deel via de Nederlandse delta en de sacrale gebieden van Stonehenge en Avebury in Zuid-Engeland. Een handelsreiziger in die tijd zou overal in West- en Midden-Europa op bijzondere megalithische monumenten zijn gestuit: steenkringen en -rijen in Ierland, Groot Brittannie en Bretagne, stenen tempels op Malta en in alle landen alleenstaande stenen en grafkelders. Na eeuwen raakte deze wereld in verval en werden de stenen en grafheuvels steeds meer met verwonderde blikken bekeken. Hun betekenis en functie waren vergeten en naarmate de tijd voort schreed ontstonden de verhalen over een grootse, wonderbaarlijke wereld die verloren was gegaan. In Groot Brittannie en Ierland staan de stille getuigen daarvan niet alleen in bewoonde gebieden maar ook in tegenwoordig vrijwel verlaten, desolate gebieden en op dunbevolkte eilanden. Sinds de komst van de Kelten worden ze gezien als de woonplaatsen van het elfenvolk, de Tuatha de Danann, en in hun oeroude mythen wordt gesproken van de toegangspoorten naar de prachtige wereld van weleer, maar ook van de het heden en de toekomst. WORDT VERVOLGD