dinsdag 3 maart 2015

EEN TIJDLOZE ONTMOETING (2)

Toen wij het museum binnenkwamen was het overal al een drukte van belang. De laatste voorbereidingen voor de opening vonden plaats terwijl de leden van het ontvangstcomite zich ongerust door de expositiezalen bewogen, alsof er nog ergens iets dreigde mis te gaan. Gabriele was al meteen in het gedruis opgenomen en liet me af en toe met een schuine blik weten dat dit nu eenmaal bij de finale werkzaamheden behoorde. Even voor acht uur viel er niets meer te regelen en stroomden de genodigden het museum binnen waar een welkomsdrankje wachtte. Een half uur later begonnen de voordrachten waarin allerlei hoogwaardigheidsbekleders, vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, van musea en particuliere bruikleengevers uitvoerig werden bedankt voor hun bijzondere bijdragen aan de tentoonstelling over de IJzertijd in Noordwest-Europa. Er werden vervolgens nog enige lezingen gehouden over de diverse culturele aspecten van deze periode en tenslotte werd iedereen uitgenodigd voor een algemene samenzijn met drankjes en hapjes. Voor het eerst bekeek ik de tentoonstelling waarin ik veel internationaal bekende vondsten herkende. Om mij heen bewogen zich druk pratende gasten die zich met glazen wijn van vitrine naar vitrine bewogen. In een kleine uithoek met een bijzondere verlichting ontwaarde ik plotseling een kleine, kostbaar uitgevoerde, robuuste vitrine die slechts een voorwerp bevatte: een kleine, eenvoudige rode jaspis-steen. De aanblik ervan bezorgde me warme rillingen; vanuit een heel ver verleden kroop een gevoel naar binnen dat me vertelde dat ik dit steentje kende. Ik stond er sprakeloos naar te kijken en ik wist dat ik het ooit, heel lang geleden, in mijn hand had gehad. Als in een roes las ik de tekst die er bij lag:'Jaspis, vindplaats waarschijnlijk omgeving Hamburg, aangetroffen in de hand van een in het veen geofferde jonge vrouw, Late IJzertijd.' In het glas van de vitrine zag ik vaag het silhouet van een vrouw die schuin achter me kwam staan.'Je hebt het herkend',sprak ze zacht. Het klinkt welhaast bizar maar haar stem kwam even vertrouwd op me over als het steentje waarnaar ik waarschijnlijk al minutenlang had gestaard. Ik aarzelde om me om te draaien omdat ik instinctief aanvoelde dat er dan iets wezenlijks in mijn leven zou veranderen.'Ik kan het niet bevatten, het kan gewoonweg niet', fluisterde ik terwijl ik nog steeds als bevroren bleef staan. Ik wist echter beter. In een flits meende ik beelden te zien uit een lang vervlogen verleden; ze waren ook al eens in dromen verschenen maar ik had er nooit aandacht aan besteed. Door de aanblik van het steentje kregen ze een plek. Ik twijfelde nog steeds maar draaide me toch langzaam om. Er was niemand! Ik was nog steeds de enige bezoeker van deze stille uithoek van de expositie. Verderop hoorde ik het geroezemoes van genodigden die door de expositiezalen schuifelden. Waarom was ik bij deze afgezonderde vitrine, waarover Gabriele gesproken had, terechtgekomen? Ik liep terug en liet mijn blikken langs de bezoekers gaan. De vrouw kon niet in rook zijn op gegaan; ze moest hier ergens zijn. Zou ik haar herkennen? Zij wist kennelijk wie ik was of was geweest en misschien wilde ze weten of dat ook voor mij gold en of ik haar zou zien te midden van al die mensen. Het gepraat om me heen leek te verstommen en de mensen leken zich minder snel te bewegen. Plotseling zag ik haar. Ze stond op nauwelijks tien meter bij me vandaan en keek naar me en ik wist dat ik haar gekend had in een grijs verleden. Flarden van herinneringen vlogen door me heen en ik zag dat hetzelfde bij haar gebeurde. Langzaam liepen we naar elkaar toe en tenslotte stond ze voor me:de jonge vrouw met lang blond haar rond het mooie gezicht dat ik ooit zo goed gekend had. We omarmden elkaar en ze nam me bij de hand en we liepen in een tijdloze roes naar de uitgang van het museum. Enige minuten later zaten we op de achterbank van een sjieke Jaguar en reden met grote snelheid in oostelijke richting. Het was een merkwaardige avond; het noorderlicht leek af en toe wel aan de horizon te schemeren. Na enige tijd, ik schat een uur, koos de chauffeur een afslag die al snel een donker woud invoerde. Naast me hoorde ik fluisteren:'Welkom in mijn nieuwe wereld'. Het waren de eerste woorden die ze uitsprak. 'Ik heet nu Eva Maria en woon in dit uitgestrekte bos'. Tot het moment waarop ze begon te spreken hadden we gezwegen en onwennig en verbaasd elkaar af en toe gekeken. 'Zoals je waarschijnlijk wel hebt begrepen of gevoeld hebben wij elkaar lang geleden gekend toen we samen in een piepklein dorpje opgroeiden en volwassen werden. Ik heb je kort voor mijn afschuwelijke dood gezegd dat we elkaar terug zouden zien en je gaf mij het rode steentje dat je zojuist in het museum terug hebt gezien, althans een replica want het origineel zou ik nooit uitgeleend hebben. Ik wist dat als er ooit een kans zou zijn om jou weer te ontmoeten ik een bijdrage aan de tentoonstelling moest leveren. Het steentje alleen hadden ze nooit geaccepteerd, maar mijn andere, financiele bijdrage was zeer welkom. Op internet ben ik op goed geluk naar foto's van jou gaan zoeken. Een kennis van me die bij de politie werkt en montagefoto's maakt van gezochte misdadigers heeft op mijn aanwijzingen een portret van je getekend en een andere kennis, een systeemanalist, is hiermee op mijn aanraden op zoek gegaan naar iedereen die op de een of andere manier actief is met het verleden. Om het niet al te moeilijk te maken hebben we ons vooralsnog beperkt tot Noordwest-Europa. Na een paar weken was het raak en zag ik jouw foto op mijn scherm: een archeoloog, ik had het kunnen vermoeden. Tot mijn verrassing bleek je ook nog eens betrokken te zijn bij de samenstelling van de tentoonstelling. Ik kon je in feite niet meer mislopen. Je hebt gemerkt dat ik achter je stond bij de vitrine met het steentje, maar ik wilde zeker zijn dat je ook mij zou herkennen, vandaar dat ik mij terugtrok in het grote publiek en daarin herkende je mij ook'. Haar verhaal kwam heel natuurlijk en logisch over maar het was voor mij nog steeds een raadsel hoe je elkaar na meer dan 2 millennia weer kon ontmoeten. Anderzijds voelde haar aanwezigheid zo vertrouwd dat ik de realiteit van het mirakel wel moest accepteren. Nog voordat ik kon reageren nam ze zelf weer het woord.'Ik begrijp dat het allemaal even bij je moet landen maar we hebben daar straks nog alle tijd voor. We zijn bijna thuis. Over enige minuten werken mobiele telefoons niet meer. Misschien wil je je collega Gabriele vertellen dat je onverhoops moest vertrekken?'. Even later verscheen een groot open terrein in het woud. Na een korte bocht verscheen een groot open terrein en over een lange oprijlaan reden we naar een oud landhuis dat aan het eind opdoemde. Dichterbij zag ik dat in de ontvangsthal en enige andere ruimten kroonluchters brandden. Ik was deze avond van de ene in de andere verbazing gevallen maar nu vroeg ik me echt af of ik niet droomde. Eva Maria ontzenuwde mijn twijfels door mij eenvoudigweg welkom te heten in haar huis. 'DE TIJDLOZE ONTMOETING' WORDT BINNENKORT VERVOLGD DOOR 'HET HUIS IN HET WOUD'

zaterdag 28 februari 2015

EEN TIJDLOZE ONTMOETING(1)

De prille voorjaarsnacht was lang en koud geweest, slapeloos ook, omdat ik wist dat er tijdens de opkomst van de zon iets vreselijks zou plaatsvinden, iets wat ik al jaren had geweten maar nooit had willen geloven, niet had willen accepteren.De eerste vogels lieten zich horen, iets wat me altijd vrolijk had gestemd maar wat me nu liet weten dat het afschuwelijke moment met rasse schreden naderde. Ik had me verstopt in het struikgewas dicht bij het moeras omdat ik geen getuige mocht zijn wat er stond te gebeuren. Het bijwonen van het ritueel was voorbehouden aan de ingewijden van de stam, maar ik was waarschijnlijk de enige die haar echt kende en van haar hield. Zodra de eerste zonnestralen het land in vuur en vlam zouden zetten zou mijn bestaan stil en leeg worden. Aan de oostelijke horizon werd langzaam een rose gloed zichtbaar. Rillingen van angst stroomden door me heen. In de verte zag ik de kleine stoet naderen, de priesters en priesteressen die haar begeleidden. Ze keek lijdzaam voor zich uit alsof ze beneveld was. Het leek eindeloos te duren voordat ze het heiligdom bereikt hadden. Even was er een moment van stilte en toen ging alles heel snel. Temidden van de heftige bewegingen van de priesters zakte ze ineen, waarna de priesteressen haar voorzichtig neerlegden op de sompige moerasbodem. Langzaam zag ik haar vanuit het struikgewas wegzinken in het bruine veen. Uiteindelijk kon ik alleen maar nog haar naam uitschreeuwen: Sigritta...................... Hoe lang was het geleden dat we speelden rond de boerderijen in ons kleine dorp? We zochten samen naar blauwe besjes in het woud. We sprokkelden hout en zwierven over de heideveldjes waar de grafheuvels van onze voorouders lagen en we konden daar kijken naar de horizon en luisteren naar de leeuwerikken die altijd dichtbij waren. We liepen over de paden van mul zand en vonden het heerlijk om de geur van vers gemaaid graan op te snuiven. Soms verzamelden we kruiden en eetbare wortels in het bos en vaak vonden we daar op open plekken ook mooie stenen in allerlei kleuren. Bij mooi weer lagen we op onze rug in het veld en keken we eindeloos naar de blauwe hemel. Sigritta was anders dan andere meisjes; haar ogen keken op een andere manier de wereld in en ze leek vaak weg te dromen alsof ze er even niet was. Ze liep ook een beetje moeilijk wat ze zelf trouwens geen probleem vond. Het viel me gaandeweg op dat ze geen vriendinnen had. Ik was haar enige vriend. De dorpsbewoners vonden haar een beetje vreemd en spraken nauwelijks met haar. Ook haar ouders bekommerden zich niet echt om haar. Ik was de enige met wie ze echt contact had. We vonden dat beiden prima zo. Op ruime afstand van het dorp hadden we een hut gebouwd. Daar brachten we onze gevonden stenen heen en we sneden er figuurtjes van hout. We vonden het een magische plek. Op zeker dag vertelde Sigritta ze dat ze bang was; ze had toevallig over haar horen fluisteren en dat wat ze meende te horen joeg haar angst aan. Enige dagen later werd zij bij een van de priesteressen geroepen die haar vertelde dat ze was uitverkoren om als boodschapper naar de goden gestuurd te worden. Sigritta was een wijs meisje en wist onmiddellijk wat dat betekende. Haar mooie leventje zou binnenkort afgelopen zijn. Ze zou worden ingewijd en tijdens haar laatste dagen alleen nog naar verdovende kruiden en moederkoorn moeten eten zodat ze in een gelaten verdoving terecht kwam. Ze had er genoeg over horen fluisteren en ze had immers zelf ook eens in het struikgewas bij het moeras gelegen om te moeten zien wat voor afschuwelijks zich daar afspeelde. Nog een dag waren we samen in onze boshut. We waren beiden heel verdrietig maar Sigritta tegelijk ook heel rustig. Ze vertelde me dat ze ervan overtuigd was dat we elkaar ooit terug zouden zien. Ik gaf haar een mooie rode steen die ik op weg naar de hut gevonden had en we namen afscheid. Toen de priesters en priesteressen hun vreselijke werk verricht hadden pakte ik mijn spullen en begaf me op weg. Ik zou nooit meer naar het dorp terugkeren. De avond was gevallen en ik hoorde half slapend hoe de trein voort snelde naar mijn eindbestemming. Ik probeerde me voor te stellen hoe de opening van de tentoonstelling zou zijn. Er zou veel gesproken worden en daarna vooral veel gedronken. Ik had het museum dat talloze kostbare Romeinse kostbaarheden herbergt al vele malen bezocht maar ditmaal had ik een eigen kleine bijdrage geleverd aan de nieuwe expositie. Ik bekeek nog even het programma van de avond waarvan het begin behoorlijk saai op me overkwam. De trein minderde vaart en naderde de brug over de Rijn. Ik was weer in Keulen. WORDT VERVOLGD Als afgesproken stond mijn collega Gabriele van het Romisch-Germanisches Museum op het perron te wachten. We hadden al veel gesprekken over de expositie gevoerd en zouden voor de opening nog wat gaan eten om nog even wat laatste details door te praten. In het restaurant slaakte Gabriele een zucht van verlichting. Aan het eind van de middag was de tentoonstelling eindelijk gereed. Alles moest natuurlijk piekfijn in orde zijn en er mocht vooral bij de opening niets misgaan. Er waren veel objecten van andere Duitse- en buitenlandse musea geleend. Ook een aantal particulieren had een bijdrage geleverd. De bijdrage van mijn museum waren de vondsten uit een Keltisch vorstengraf. De avond zou nog veel vergen van mijn collega want zij moest natuurlijk met vele gasten en bruikleengevers spreken. Ons etentje was voor haar na weken van onafgebroken hard werken een zeldzaam moment van enige rust. Voordat we ons naar het museum begaven vertelde Gabriele nog snel dat er voor het onderdeel offervondsten een bijzondere bruikleengeefster als gast werd verwacht. Haar materiele bijdrage was beperkt ook al liet ze er een speciale vitrine voor bouwen; financieel had ze echter tot ieders grote verbazing een groot deel van de expositiekosten voor haar rekening genomen.

DE OVERMOED VAN DE JONKVROUWE VAN GRUNSVOORT

Lang geleden lang er aan de benedenloop van de Renkumse Beek op de Zuid-Veluwe een kasteel waar na vele ridders een jonkvrouw de scepter zwaaide. In tegenstelling tot haar voorgangers had ze nauwelijks oog voor het wel en wee van de bevolking. Ze was hard en wreed voor de bewoners van de povere boerenhofsteden en aangrenzende gehuchten. Ze was ook ijdel en pronkziek en tooide zich met dure gewaden en sieraden. Haar personeel wrong zich in allerlei bochten om bij haar in het gevlei te komen. Zo kwam haar klerk op een zeker moment op het idee om voor haar een tapijt aan te schaffen dat, uitgerold, reikte van het kasteel tot aan de kerkdeur; zo kwamen haar schoenen niet meer in aanraking met het grove zand dat door vele boerenkinkels betreden werd. De jonkvrouwe voelde zich zeer gestreeld en haar verwaandheid nam vanaf dat moment alleen nog maar toe. Een oude grijsaard die haar waarschuwde om de aarde niet te verachten negeerde zij totaal. Zo liep zij nog vele jaren over het tapijt naar de kerk. Toen ze uiteindelijk stierf werd ze met veel vertoon begraven. De volgende dag stond haar kist echter tot ieders verbazing weer boven de grond. Tot twee maal toe werd ze opnieuw ter aarde besteld maar met hetzelfde resultaat. Toen herinnerden enigen zich de woorden van de oude grijsaard. De kist zou met paard en wagen, zonder koetsier, zijn weg vinden. Het paard rende in volle vaart langs de beek en de aangrenzende heide naar de sompige plek waar de waterloop ontsprong. Daar aangekomen steigerde het paard plotseling waardoor de kist van de wagen gleed, in het moeras terechtkwam en daarin langzaam pruttelend wegzonk. De aarde was niet goed genoeg geweest voor de jonkvrouwe en nu wenste de aarde haar niet op te nemen. Haar lot was de diepe bodem van een pikdonker moeras. Later, tijdens duistere avonden, zag menigeen haar aan de rand van de donkere poel vol vertwijfeling zitten. De plek heette sindsdien Quadenoord.

donderdag 26 februari 2015

STARING VAN DE WILDENBORCH OVER DE WITTE WIEVEN

A.C.W.Staring, die de Wildenborch in de Achterhoek bewoonde, schreef in 1837 twee verhalen over witte wieven. Een notitie van hem van zeven jaar eerder doet vermoeden dat hij zijn oor te luisteren had gelegd bij boeren in de omgeving. Een feit is dat 'zijn' verhalen in allerlei varianten werden verteld in de Achterhoek, Twente en Drenthe. In ieder geval was Staring de eerste die verhalen over witte wieven schreef. Voor zijn tijd was er alleen maar sprake van losse vermeldingen in kronieken. Archeologen die in de tweede helft van de 19e eeuw in de Achterhoek toevallig blootgelegde resten van prehistorische begraafplaatsen blootlegden kregen vaak van graaflieden uit de omgeving te horen dat het plekken waren waar verhalen over witte wieven de ronde deden. In de meeste overleveringen werden witte wieven uitgedaagd door in de herberg als gevolg van te veel drank overmoedig geworden boeren en door lieden die met weddenschappen hun moed wilden bewijzen door de wieven te tarten. Slechts enkele verhalen gingen over boerinnen die door de wieven ontvoerd waren en dan waren er ook nog overleveringen over mensen die de grafheuvels betreden hadden en een merkwaardige wereld hadden gezien Zo'n verhaal speelde zich af bij de Scheleguurtsjesbelt, dicht bij het landhuis van Staring. Hij schreef in 1830 hoe veertig jaar eerder een arbeider daar een vreemd avontuur beleefde:'Hij ging er op een nacht, in zijne eenzaamheid, digt langs, en wat vernam hij. De heuvel had eenen openstaanden toegang gekregen. Als met geweld daarin getrokken, zag onze man een verlichte ruimte en temidden van dezelve een tafel, pronkende met kandelaars, bekers, enz., alles van louter zilver. Hoe hij werder van deze plaats wegraakte, herinnerde ik mij niet, maar dat hij van het geziene zilver niets tot aandenken had medegekregen, stel ik vast, want ik heb hem tot zijn dood toe, nooit rijk genoeg gekend, om in de kroeg meer te besteden dan zijne daghuur.' Volgens de overlevering hebben verschillende mensen die heuvel wel eens open gezien. Als zij naar binnen keken zagen ze kostbaar gedekte tafels waarop zilveren kandelaars met brandende kaarsen stonden. 'Witte wieven en elfen, fluisteringen uit de Andere Wereld'- Ruud Borman. Uitgeverij A3 boeken te Geesteren.

ROCKY VALLEY, TUSSEN TINTAGEL EN BOSCASTLE, CORNWALL

woensdag 25 februari 2015

dinsdag 24 februari 2015

VADER EN ZOON BEGRAVEN BIJ STONEHENGE?

Op 3 febrauri schreef ik over het graf van de 'boogschutter' met zijn rijke grafgiften die in Amesbury, even ten oosten van Stonehenge begraven was. Het afgelopen weekend las ik in Glastonbury in het boek 'Chalkland, an archaeology of Stonehenge and its region' van Andre W. Lawson, dat na deze vondst op enige meters afstand een tweede graf uit dezelfde periode(2400-2200 v.Chr) was bloodgelegd. Het bevatte het skelet van een man van 25-30 jaar die op zijn linker zijde was begraven met zijn hoofd naar het noorden. Hij was in het bezit van enige gouden ornamenten. Gedetailleerde analyses van de beenderen van de beide mannen suggereren dat ze tot dezelfde familie behoorden en mogelijk vader en zoon waren ook al gaven chemische analyses van de tanden van de boogschutter aan dat hij in de Alpen was geboren en de jongere man in het kalkgebied van Stonehenge. Mogelijk was de boogschutter getrouwd met een inheemse vrouw uit deze streek.